
De laatste paintballronde
geschreven door Lucent
🔊 Laat het verhaal voorlezen
Durf je het in het donker te luisteren?
“Niet te ver het bos in,” zei begeleider Mark terwijl hij de paintballmaskers uitdeelde. “Er loopt een grenslint om het speelveld. Daarbinnen blijven. Altijd.” Tijn knikte, maar luisterde maar half. Hij was tien jaar en vandaag was zijn allereerste keer paintballen. Samen met Mats, Joy, Kai, Wester, Sep, Stef, Oscar en Daan vormde hij het gele team. Het rode team had zich ergens tussen de bomen verstopt. “Drie… twee… één… gáán!” riep Mark. Meteen stormden de kinderen het bos in. Takjes kraakten onder hun schoenen. De grond was zacht van de regen. Overal stonden hoge dennenbomen, met lange donkere schaduwen tussen de stammen. Tijn dook achter een omgevallen boomstam en keek voorzichtig om zich heen. Plop! Een rode verfvlek spatte op de boom vlak naast zijn hoofd. “Dekken!” fluisterde Mats. Aan de andere kant van het pad bewoog iets. Tijn richtte zijn paintballgeweer. “Wie is daar?” riep hij. Geen antwoord. Alleen een vreemd geluid. Geen voetstappen. Geen tak die brak. Het klonk meer als een lage, trillende grom. “Dat is vast iemand van rood,” zei Joy zacht. Maar haar stem klonk onzeker. Toen zagen ze een figuur tussen de bomen staan. Hij droeg een rood overallpak en een paintballmasker. Zijn handen hingen slap langs zijn lichaam. Hij bewoog niet. Tijn schoot. Plop! De gele verfbal raakte de figuur vol op zijn borst. Normaal zou iemand dan zijn hand opsteken en roepen dat hij af was. Maar deze tegenstander deed niets. Heel langzaam draaide hij zijn hoofd. Het masker keek recht naar Tijn. En toen begon de figuur te lachen. Niet hard. Niet vrolijk. Meer een laag, schor geluid, alsof iemand probeerde te lachen met een keel vol grind. “Hebben jullie dat gehoord?” fluisterde Kai. De rode speler zette één stap naar voren. Toen nog één. Zijn voeten maakten geen geluid op de bladeren. “Kom,” zei Wester. “Weg hier.” De kinderen renden tussen de bomen door. Ze hoorden achter zich geen voetstappen, maar wel dat lage gegrom. Het leek nu van alle kanten te komen. Ze kwamen uit bij een kleine open plek met een houten hutje. Boven de deur hing een scheef bord: MATERIAALOPSLAG – VERBODEN TOEGANG “Daarin!” riep Sep. Ze doken naar binnen en gooiden de deur dicht. Binnen was het donker en rook het naar nat hout, oude verf en aarde. Tijn voelde met zijn handen langs de muur totdat hij een lichtknop vond. Klik. Een flakkerende lamp ging aan. Er stonden kapotte pallets, lege verfbalkisten en een rek met oude maskers. Sommige maskers waren gebarsten. Eén had lange krassen over het glas. Stef keek door een spleet in de deur. “Ik zie niemand.” “Dan zijn we veilig,” zei Oscar. Maar precies op dat moment klonk er iets op het dak. Kras. Kras-kras. Alsof lange nagels over het hout schuurden. Iedereen werd stil. Tijn zag hoe Daan zijn paintballgeweer steviger vastpakte. Mats stond met zijn rug tegen de deur. Joy keek naar het plafond alsof ze bang was dat het dak ieder moment open zou scheuren. Toen viel er iets door de kleine opening van een kapot raam. Plop. Een rode verfbal rolde over de vloer. Daarna nog één. Plop. En nog één. Plop. Plop. Plop. De ballen kwamen niet uit een paintballgeweer. Ze werden van buiten naar binnen gegooid. Op de rode verfballetjes zaten donkere haren geplakt. “Mark!” schreeuwde Tijn. “Mark, we zitten hier!” Geen antwoord. Alleen het gegrom. Dichterbij nu. En toen hoorde Tijn iets fluisteren, vlak naast het raam. “Geel team…” Iedereen bevroor. “Geel team… jullie zijn omsingeld.” De stem was raar. Te laag. Te schor. En het klonk alsof meerdere stemmen tegelijk dezelfde woorden zeiden. Kai trok Tijn aan zijn mouw. “Kijk daar.” In de achterwand van het hutje zat een klein luikje. Net groot genoeg om doorheen te kruipen. “Dat gaat naar buiten,” zei Mats. “Of naar een nog enger stuk van het bos,” fluisterde Joy. Buiten klonk een harde klap tegen de deur. BOEM. Het hout kraakte. Nog een klap. BOEM. Dit keer viel er stof uit het plafond. “Nu!” riep Tijn. Eén voor één kropen ze door het luik: Tijn eerst, daarna Mats, Joy, Kai, Wester, Sep, Stef, Oscar en als laatste Daan. Aan de andere kant lag een smal pad dat diep het bos in liep. Geen lampen. Geen veilige open plekken. Alleen mist. “Dit is niet goed,” zei Wester. Maar achter hen kraakte de deur van het hutje open. Ze renden. De mist werd dikker. Bomen verschenen pas op het laatste moment uit het grijze niets. Tijn hoorde overal beweging. Links. Rechts. Achter hen. Toen kwamen ze bij een cirkel van hoge bomen. Daar hingen stukken rood grenslint. Niet netjes tussen paaltjes, zoals bij het paintballveld. Nee. De linten zaten hoog in de takken geknoopt. Alsof iemand — of iets — ze daar had opgehangen om te voorkomen dat de kinderen weg konden. “Ze hebben ons ingesloten,” zei Sep. In de mist verschenen vormen. Eerst één. Toen twee. Toen vijf. Toen nog meer. Allemaal droegen ze rode overalls en paintballmaskers. Maar de maskers waren niet helemaal goed meer. Bij sommige staken er plukken grijs haar onderuit. Bij andere waren de brillenglazen gebroken. Achter een van de maskers gloeiden twee gele ogen. De figuren kwamen langzaam dichterbij. Tijn richtte zijn paintballgeweer, maar zijn handen trilden. “Wacht,” fluisterde Stef plotseling. Hij wees naar de grond. Tussen de wortels van een boom lag een geel touw. Het liep naar een oud metalen belletje aan een paal, half verscholen achter varens. Op het belletje stond met vervaagde letters: NOODSIGNAAL “Als we daaraan trekken…” begon Oscar. “Dan weten ze misschien waar we zijn,” zei Tijn. Maar de weerwolven stonden nu in een kring om hen heen. Eén van hen trok zijn masker af. Daaronder zat geen gewoon gezicht. Er zat een lange snuit. Scherpe tanden. Een natte zwarte neus. En ogen die gloeiden in de mist. Hij grijnsde. “De laatste ronde,” gromde hij. Tijn rende naar het touw. Een weerwolf sprong naar voren. Daan schoot een gele verfbal recht op zijn masker. PLOP! De wolf brulde en viel achteruit. “Trekken!” riep Mats. Tijn greep het touw met beide handen en trok zo hard hij kon. De bel rinkelde. Eén keer. Twee keer. Toen begon hij luid en wild te klingelen door het bos. De weerwolven stopten. Ze keken omhoog. Er klonk een fluitje in de verte. Daarna nog één. En toen: stemmen. “Gele team! Waar zijn jullie?” “Hier!” schreeuwden de kinderen tegelijk. Felle zaklampen schenen door de mist. Mark en twee andere begeleiders kwamen aangerend. De rode figuren weken terug tussen de bomen. “Niet weg laten komen!” riep Wester. Maar toen Mark bij de kring kwam, was er niemand meer. Geen rode spelers. Geen weerwolven. Alleen diepe, grote afdrukken in de modder. Pootafdrukken. Mark keek er lang naar, zonder iets te zeggen. Daarna leidde hij de kinderen snel terug naar het beginpunt. Niemand mocht nog alleen naar de wc. Niemand mocht meer het speelveld op. Toen Tijn zijn masker afzette, voelde hij iets plakkerigs aan zijn nek. Hij keek in zijn hand. Een rode verfvlek. Met daaraan vastgeplakt één lange, grijze haar. En ergens diep in het bos klonk opnieuw dat lage, schorre lachen. “Geel team…” fluisterde de wind. “Volgende keer zijn jullie niet op tijd.”
Geef sterren
5,0 van 5 · 5 stemmen